29-08-05

De 'jonge Turken'

De 'jonge Turken'

 

Niet ver van mijn kantoor heeft een ingeweken Turk een kruidenierswinkeltje geopend. Alle dozen en bokalen staan netjes op het schap. De verse groenten glunderen in bakken tegen de gevel. In de deuropening: een uitnodigende glimlach van een wit gebit dat stralend afsteekt tegen de iets donkerder huid. Toch draait de handel niet. Jammer, want de uitbater is schoon, vriendelijk, geïntegreerd, spreekt goed Nederlands en is gastvrij.

 

Er zijn namelijk nogal wat redenen voor, die op elkaar aansluiten. Om te beginnen richt een vooroorlogse kruidenierswinkel zich op de buurt. Een periferie van, laat ons zeggen, maximum anderhalve kilometer. Klanten die te voet komen. De winkel ligt trouwens op de hoek van een vreselijk druk en levensgevaarlijk kruispunt, waar je nergens in de buurt kan parkeren.

 

Maar de bevolking uit die buurt bestaat hoofdzakelijk uit Marokkaanse medeburgers. Die kopen niet bij Turken. Marokkanen zijn uitgesproken racistisch ingesteld, al beweren ze dat van ons.

 

Turken kopen wel bij Turken. Eigen volk, enzovoorts… Maar helaas wonen er te weinig Turken in de stad om zo’n winkel leefbaar te maken. En degenen die er toch wonen, doen hun inkopen bij Aldi waar ze hun kar overvol laden met relatief degelijke producten die in verhouding spotgoedkoop zijn. Helemaal ongelijk hebben ze niet.

 

De ‘oude Belgen’ die er nog wonen, vinden zo’n buurtwinkel wel sympathiek en het maakt hen eigenlijk weinig uit dat er een Turk achter de toonbank staat. Integendeel, ze waarderen het dat iemand, die hier een nieuw leven probeert op te bouwen, durft de handen uit de mouwen steken, initiatieven neemt en niet de gemakkelijkste weg van het profitariaat kiest.

Maar toch zijn ze er na een paar schaarse bezoeken weg gebleven.

 

In het begin waren er alleen verse groenten die er heel fris uitzagen en sommige soorten kenden wij hier zelfs niet, laat staan dat we ze ergens anders konden kopen. Maar dan kwamen er conserven bij. Ingevoerd uit Turkije, met eentalig Turkse etiketten. Dat is niet alleen tegen de taalwetgeving, maar onze industrie wordt er ook niet beter van. Toen kwamen er poetsmiddelen, kleding, juwelen, lederwaren, verf, petroleum, gasflessen, enz… Het buurtwinkeltje op de hoek werd een klein grootwarenhuis, zoals we die een halve eeuw geleden in elk dorp kenden.

 

Toen was dat noodzaak. En de overheid heeft die winkeltjes van destijds vakkundig kapot gewurgd door zo’n hoge normen op te leggen dat alleen grote ketens er nog konden aan voldoen en de zelfstandige ondernemer, kapot getreiterd en van pure armoede, de deuren sloot en een fabrieksbaantje zocht.

 

Ook vandaag worden slagers nog steeds zwaar beboet als ze een belegd broodje verkopen. En die brave Turk mag zowat alles aanbieden?

 

’t Is ook niet makkelijk om te weten wie de winkel eigenlijk uitbaat. Er loopt constant zowat tien man rond, van heel jong tot heel oud en iedereen doet er iets. Het is duidelijk een familiezaak en dat heeft beslist zijn charme. Alleen zien we die charme niet meer in onze eigen winkels, want iedereen die er een papiertje opraapt of een doosje verzet, moet vermeld staan in het personeelsregister en kost drie keer zoveel dan ie uiteindelijk in handen krijgt op het einde van de maand. Als de partner van de uitbater of uitbaatster bovendien gepensioneerd is of steun trekt, kan er een ijzingwekkende straf volgen bij betrapping.

 

In de winkel van onze Turk is dat allemaal niet zo duidelijk. Wie is er familie van wie? Wie werkt echt in die winkel of wie steekt maar een handje toe? Wie heeft er nog een andere baan en wie wordt door het sociale vangnet gewiegd?

 

Maar de belangrijkste reden waarom we er weggebleven zijn, zijn de prijzen. De producten zijn namelijk niet, onvolledig of onbegrijpelijk geprijsd, hoewel ook hiervoor wettelijke voorschriften bestaan.

 

Als je een beetje oplet, dan merk je dat ze twee tarieven hanteren: een voor Turkse klanten, een voor Belgen. Die laatsten betalen een stuk meer. Wat opvalt: de hele familie spreekt behoorlijk Nederlands als je uitleg vraagt over de producten, maar gaat het over de rekening dan kent ze alleen Turks… Ze komen dan met z’n allen dreigend uitleggen dat de rekening toch klopt. Je betaalt en komt nooit meer terug.

 

Los van de laatste vaststelling, vraag ik me af of we nu strenger moeten zijn voor deze mensen in het doen toepassen van onze regeltjes? Misschien moeten we al die regeltjes eens herbekijken en gewoon versoepelen zodat ónze ‘jonge Turken’ terug zin krijgen om iets te ondernemen.

 

Er zijn genoeg jonge mensen die boordevol ideeën en creativiteit zitten. Lef hebben ze ook. Sommigen zelfs een klein startkapitaal. Tot ze aan het Ondernemersloket staan en daar hun moed in de schoenen zinkt.

 

Maar stel je voor dat ze een beetje beginnen sjacheren zoals Rik de Bandenman uit Lily en Marleen? So what? De overheid doet dat toch ook door ons een Zilverfonds voor te spiegelen waarvan de belangrijkste waarde de omhulling van een stuk chocolade is, zoals we vroeger de negertjes in Congo rijk maakten met zilverpapiertjes van Jacques of Côte d'or.

 

Misschien betalen de nieuwe ondernemers, met versoepelde voorwaarden, niet voldoende sociale lasten of belastingen, maar ze verdienen wel geld dat ze daarna uitgeven en in onze economie brengen. De overheid pikt daar àltijd een graantje van mee. Beter rollend zwart geld waarvan sowieso een deel binnenkomt, dan stempelgeld dat buitengaat, toch?

 

Trouwens, kan iemand mij zeggen hoeveel belastingen de Fordfabrieken in Genk betalen? Dat terrein is niet eens Belgisch grondgebied meer, om het bedrijf te kunnen vrijstellen van belastingen!





14:53 Gepost door Luc van Balberghe | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.